Niederländisch
Detailübersetzungen für kalibreren (Niederländisch) ins Deutsch
kalibreren:
-
kalibreren
kalibrieren; gleichrichten-
gleichrichten Verb (gleichrichte, gleichrichtest, gleichrichtet, gleichrichtete, gleichrichtetet, gegleichrichtet)
-
kalibreren
Konjugationen für kalibreren:
o.t.t.
- kalibreer
- kalibreert
- kalibreert
- kalibreren
- kalibreren
- kalibreren
o.v.t.
- kalibreerde
- kalibreerde
- kalibreerde
- kalibreerden
- kalibreerden
- kalibreerden
v.t.t.
- heb gekalibreerd
- hebt gekalibreerd
- heeft gekalibreerd
- hebben gekalibreerd
- hebben gekalibreerd
- hebben gekalibreerd
v.v.t.
- had gekalibreerd
- had gekalibreerd
- had gekalibreerd
- hadden gekalibreerd
- hadden gekalibreerd
- hadden gekalibreerd
o.t.t.t.
- zal kalibreren
- zult kalibreren
- zal kalibreren
- zullen kalibreren
- zullen kalibreren
- zullen kalibreren
o.v.t.t.
- zou kalibreren
- zou kalibreren
- zou kalibreren
- zouden kalibreren
- zouden kalibreren
- zouden kalibreren
en verder
- is gekalibreerd
diversen
- kalibreer!
- kalibreert!
- gekalibreerd
- kalibrerend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze
Übersetzung Matrix für kalibreren:
Verb | Verwandte Übersetzungen | Weitere Übersetzungen |
gleichrichten | kalibreren | afstellen; afstemmen; gelijkrichten; gelijkschakelen; richten; uitbalanceren; uitlijnen |
kalibrieren | kalibreren | als gangbaar erkennen; waarmerken |
Computerübersetzung von Drittern: